Kwade prins en trotse hertog steken koning naar de kroon

In de late middeleeuwen was Brabants ster rijzende: na de slag bij Woeringen (1288) was de hertog een van de machtigste vorsten in de Lage Landen, en begin veertiende eeuw zette de ambitieuze Jan III rasse schreden in de voetsporen van zijn grootvader om Brabants internationale positie te verstevigen. Hierbij kreeg hij steun van de veertiende-eeuwse Antwerpse kroniekschrijver Jan van Boendale. In zijn rijmkroniek de Brabantse Yeesten oftewel Brabantse daden of gebeurtenissen (geschreven tussen 1316 en 1348), probeerde Boendale het vorstelijk gezag te legitimeren en een beeld van “nationale” eenheid rond de vorst te creëren. Opvallend genoeg deed hij dat vanuit een stedelijk perspectief. Zijn kroniek laat daardoor zien dat de belangen van vorst en steden vaak veel dichter bij elkaar lagen dan je op het eerste gezicht zou denken.

Dit komt fraai naar voren in een stoutmoedig commentaar van Boendale op een eis die de Franse koning Filips VI rond het jaar 1332 stelde aan hertog Jan III van Brabant. Hiervoor moeten we onze blik verleggen naar het graafschap Artesië. Daar hoopte Robert III bij het overlijden van zijn grootvader, de graaf van Artesië, in 1302 aanspraak te kunnen maken op het graafschap, dat echter door erfrechtelijke bepalingen toeviel aan zijn tante, Mahaut. Ondanks twee juridische betwistingen en talloze intriges, slaagde Robert er niet in de grafelijke titel te bemachtigen.

Om het lot een handje te helpen, liet Robert na de dood van Mahaut de roemruchte Johanna van Divion juridische documenten vervalsen die zijn gelijk moesten bewijzen. Maar het bedrog kwam uit, Johanna werd tot een gruwelijke dood veroordeeld en Robert vluchtte, eerst naar Luik, daarna naar de hertog van Brabant, een aangetrouwde neef. Die ontving hem met open armen, zeer tegen de zin van de Franse koning. Filips sommeerde Jan dan ook Robert uit te leveren.

Hier komt onze kroniekschrijver in het vizier. Boendale zal eens even laten zien dat zijn hertog kan opstaan tegen de groten der aarde. Niet alleen betoogt hij trots dat de hertog baas in eigen land is, maar de hertog ontvangt zijn politiek-dissidente oom zoals men van familie mag verwachten (“maechelike”). Robert beklaagt zich over het grote onrecht dat hem is aangedaan, de hertog ontfermt zich over hem, en opent zijn “hertogrijk” voor hem:

[Robert] claghede hem [Jan III] sinen noot, hoe hi met onrechte groot; uut Vrankrike was verdreven. De hertoghe ontfermde sijns neven; en heeftene ontfaen maechelike en opende hem sijn hertoechrike.

In het licht van de gebeurtenissen is Boendales beschrijving van dit “onrecht” op zijn zachtst gezegd opmerkelijk, en een anti-Frans sentiment is duidelijk voelbaar. Ook de parallellie tussen Vrancrike en Hertoechrike (namelijk Brabant) benadrukt de gelijkwaardigheid tussen de twee vorstendommen en daarmee tussen de twee heersers. Natuurlijk speelt rijmdwang een rol, maar de woordkeuze doet haar werk.

Wat dit rijk dan precies in geografische zin behelsde, was voor Boendale minder relevant. In de context van de aangehaalde passage beschreef hij Brabant vooral als het “eigen land van de hertog”, rondom de steden Nijvel, Leuven en Brussel, en doorsneden door de rivier de Demer. Hij gaf zelfs toe: “die rechte pael (grens) es mi onbekent”. Dit lag dan ook in lijn met de ambities van zijn hertog: hij liet zijn macht niet inperken door naburige vorsten.

Boendale bood Brabant zo een plaats in het West-Europa dat verscheurd werd door de oorlog tussen Engeland en Frankrijk, waarbij hij de hertog profileerde als een niet te onderschatten vorst. Beide kampen probeerden in de honderdjarige oorlog steun te verwerven in het conglomeraat aan vorstendommen van de Lage Landen, die natuurlijk ook aan hun eigen belangen moesten denken.

Procès_de_Robert_III_d'Artois
Proces tegen Robert III van Artesië (rechtsonder). Bron: https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/9/9a/Procès_de_Robert_III_d%27Artois.jpg

Over de rol van Robert in deze strijd deden al in de middeleeuwen wilde geruchten de ronde. Door zijn decennialange obsessie met het graafschap had hij geen enkel ander doel meer dan het verwerven van de grafelijke waardigheid. Hij dreigde Filips te vermoorden en met toverij het Franse koningshuis te verwoesten. In de processtukken tegen hem is een getuigenis te vinden van een Brabantse monnik Hendrik Sagebren, in 1334 door Filips opgepakt wegens spionage voor Robert. Hendrik vertelde dat Robert hem een soort wassen voodoopop had laten zien, bedoeld om Filips’ oudste zoon prins Jan te schaden. Hij zou er ook nog een hebben willen maken voor de koningin, in zijn woorden een ‘duivelin’.[1] Filips was nu furieus en veranderde in een onverzoenlijke vijand, die niet zou rusten voor hij Robert te pakken had. Die vluchtte naar de Engelse koning Edward, die hem asiel verleende, land en geld schonk, en hem de kans bood om op te klimmen aan het hof. Dit tot grote kwelling van Filips, die Edwards weigering van zijn formele verzoek Robert uit te leveren als hoofdreden liet gelden het hertogdom Aquitanië te confisqueren, wat vaak wordt gezien als het begin van de honderdjarige oorlog.

Interessant is ook dat Robert in de veertiende eeuw werd toegedicht Edward overtuigd te hebben om zich tot koning van Frankrijk uit te roepen. In een satirisch gedicht wordt beschreven hoe Robert Edward een reiger serveert, de lafste aller vogels voor de lafste aller koningen, die zich door een rivaal van zijn wettelijke erfenis heeft laten beroven. Robert nam deel aan militaire campagnes in de Lage Landen, maar Edwards pogingen hem Artesië te bezorgen liepen stuk op de onwil van de inwoners van het graafschap en Engelse bondgenoten. Robert werd verslagen in de slag bij Sint Omaars in juli 1340, en vond uiteindelijk een roemloze dood terwijl hij met de Engelse vloot onsuccesvol het Bretonse Vannes bestookte in november 1342. Veracht in zijn eigen land, werd hij begraven in Londen.

 

Verder lezen:

Voor een populaire verwerking van het verhaal van Robert en vele anderen kun je terecht bij de serie “Les rois maudits”/ “The Accursed Kings”, geschreven door Maurice Druon tussen 1955 en 1977, en door George R.R. Martin als grote inspiratie genoemd: “The original game of thrones”. Deze serie is maar liefst twee keer verfilmd tot miniserie, in 1972 en 2005.

[1] Dana Sample, ‘Philip VI’s Mortal Enemy: Robert of Artois and the Beginning of the Hundred Years War’, in Kagay, Donald J., and L. J. Andrew Villalon. 2008. The Hundred Years War (part II) : Different Vistas. Leiden: Brill, 2008, p. 270.

 


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s