Leuker konden ze het niet maken

Boosaardige baljuws die nietsontziend een arm boerendorp overvallen om op te eisen wat toevalt aan de kroon. Meedogenloos wringen rücksichtsloze ambtenaren cynisch de plaatselijke bevolking uit, slechts belust op eigen gewin, eer, en vorstelijke gunsten. De vorst heeft zijn onderdanen in een ijzeren greep, en eenieder zal tot op de laatste cent betalen of wordt streng gestraft.

Dit is zo ongeveer het beeld dat hedendaagse boeken, series en films schetsten van de middeleeuwse ‘belastingdiensten’. Hoewel ik mij terdege bewust was van de eenzijdigheid van deze geromantiseerde visie op de middeleeuwen, raakte ik de afgelopen weken toch diep onder de indruk van de manier waarop Brabantse ambtenaren omgingen met de belastingplicht van de talrijke onderdanen van de hertog(en). Gehaat waren de belastingen zeker. Tijdens de hoge middeleeuwen werd hoofdelijke belasting bijna gezien als misdadig – niemand minder dan Thomas van Aquino raadde hertogin Aleidis van Brabant aan om bijstand van het volk slechts bij hoge nood te vragen, en in zijn grote Summa plaatste hij dit onder geoorloofde gevallen van roof. Het Brabantse charter van Kortenberg (1312) formuleerde drie aanleidingen die een hoofdelijke belasting toestonden: een vorstelijk huwelijk, ridderslag of een gevangen vorst, voor wie losgeld werd geëist. Maar in principe moesten de hertogen kunnen leven van de inkomsten uit hun eigen domeinen.

aleidis en thomas
Vlnr. Hendrik III van Brabant & Aleidis, Thomas. Bron: A. de Succa, Memorieën (1602), f 67v.
Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, Hss 1862Carlo Crivelli, The Demidoff altarpiece (detail, 1476), Londen, National Gallery, NG788.9

Tijdens de veertiende eeuw veranderde de visie op deze domeinen echter. Zij werden niet langer beschouwd als vorstelijk privébezit, dat naar believen kon verdeeld, verpacht, weggeschonken en worden verkocht, maar als een ondeelbaar geheel dat onverminderd moest worden doorgegeven aan de opvolger van de vorst. De Brabantse steden hadden zich tijdens verschillende crises opgeworpen als beschermers van het algemeen belang, en van de vorst de bevestiging afgedwongen dat het land – in dit geval het hertogdom Brabant – ongescheiden moest blijven. Ook hadden ze geprobeerd om controle te krijgen over de vorstelijke financiën, en zelfs vervreemde domeinen met publiek geld teruggekocht. Toch kwamen de laatmiddeleeuwse vorsten nog vaak in geldnood, en moesten zij beroep doen op hun onderdanen via een buitengewone bede, die hun verleend werd “van gracie ende niet van rechte”.

De vorstelijke schulden liepen torenhoog op. Rond het jaar 1395 was een Bourgondische spion behoorlijk kritisch over Reynier Goedheer, die als algemeen ontvanger samen met de toenmalige drossaard verantwoordelijk was voor het administratief overzicht van de inkomsten van de hertogen. Volgens de spion verdeelden beide mannen ambten naar eigen goeddunken, en onthielden zij de hertogin inkomsten zodat zij haar schuldenberg nauwelijks zag slinken.  De situatie was blijkbaar zo ernstig dat “geen van haar mensen durft te reizen in haar land, uit angst voor haar schulden gearresteerd te worden. Eens te meer, omdat de rechters aangesteld door haar drossaard mannen van niets zijn, niet in staat ook maar iemand te weerstaan die kwaad in de zin heeft. Ze bezitten rede noch rechtsgevoel.”

Steden wisten dat de rekening uiteindelijk bij hen terecht zou komen, en moesten die wel accepteren omdat Brabantse handelaren werden gehinderd of zelfs gearresteerd vanwege de vorstelijke schulden. Wanneer de rekening werd gepresenteerd, werden speciale commissies ingesteld met stedelijke en vorstelijke vertegenwoordigers, die moesten toezien op inning van de gelden en de goede besteding ervan, volgens vooraf strikt opgestelde voorwaarden.  Dat deze stedelijke tegemoetkoming voor de vorst absoluut niet vrijblijvend was, blijkt uit de samenstelling van de ontvangstcommissie na de voor Brabant desastreus verlopen slag bij Baesweiler (1371): hertog Wenceslas en hertogin Johanna kregen er niet één vertegenwoordiger.

goedheer illustratie
Rekening van ontvanger Reynier Goedheer 1393-1394. Bron: Brussel, Algemeen Rijksarchief, RK 2379

In tegenstelling tot de traditionele vorstelijke administratie, geeft de administratie van deze beden blijk van een verbluffend nauwkeurig inzicht in de samenstelling van het Brabantse territorium. Zo goed als alle steden en dorpen van het Brabantse platteland staan gerangschikt per district en sub-district, dorpen die niet onder de jurisdictie van de hertog maar van hoge edelen vallen worden apart aangegeven, en een vergelijking tussen verschillende van deze rekeningen maakt duidelijk dat er bijna geen plaats ontbreekt. Het overeenkomen van de verdeelsleutel van de te betalen som kon wat tijd vergen – traditioneel betaalden de Brabantse steden, plattelandsregio’s en kloosters elk een derde, waarbij binnen de steden Leuven en Brussel samen twee derde voor hun rekening namen, maar vooral de geestelijkheid protesteerde wel eens. Als er eenmaal consensus bereikt was, deden de ontvangstcommissies hun werk niettemin zeer nauwkeurig en zagen zij erop toe dat alles betaald werd – wanbetalers werden verbeurdverklaard of gevangengezet.

Zelfs ten tijde van de rampzalige Brabantse successieoorlog in de jaren 1356-7, toen het hertogdom bijna onder de voet gelopen werd door Vlaanderen, slaagden de steden er binnen het jaar in om een bede te organiseren voor hun kersverse vorst Wenceslas en vorstin Johanna. Hiervoor stelden ze een rekening op waarin zeer nauwkeurig alle plaatsen in het hertogdom aangegeven werden, inclusief het bedrag dat elke plaats zou afdragen. De snelheid waarmee deze rekening werd opgemaakt getuigt van een groot inzicht in de economische en juridische samenstelling van het hertogdom. Maar de volledigheid van deze rekening laat nog iets anders zien. De zeer nauwkeurige plaatsnaamlijsten in de bederekeningen zijn geen hertogelijk machtsinstrument of uitingen van een verstikkend wantrouwen van de Brabanders onderling. Wanneer zij aan de vorst werd gepresenteerd,  kon deze rekening als een bijzonder overtuigend onderhandelingsmiddel worden ingezet. Zelfs de bijdrage van het kleinste dorp werd er immers in erkend als deel van de collectieve hulp aan de vorst, geboden ter bescherming van het Brabantse algemeen belang.

Verder lezen:

Robert Stein, De Hertog en zijn Staten. De eenwording van de Bourgondische Nederlanden, ca. 1380-1480, (Hilversum, 2014).


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s