Great power comes with great danger

Over boze Brabanders en vreesachtige vorsten.

Op zondag 14 oktober (2018) vinden in België lokale verkiezingen plaats. Zoals gewoonlijk richt de wereldpers ook dit jaar haar pijlen vooral op Antwerpen en – in mindere mate – Gent. Het is immers af te wachten of en hoe de burgers in beide steden hun allesbehalve onbesproken rechtse dan wel linkse regeringen en oppositiepartijen zullen afstraffen. Corruptie is helaas van alle tijden: doorheen de geschiedenis konden weinig politieke spelers (van keizers, vorsten en landheren tot leden van de hertogelijke, stedelijke of rurale ambtenarijen) weerstaan aan de verleiding om eerder het eigen dan het algemeen belang te dienen. Vandaag hebben de meeste politici gelukkig weinig meer te vrezen dan vredelievende wapens zoals stempotloden. Een wissel van de macht was voor hun Brabantse voorgangers in de middeleeuwen daarentegen bij momenten levensgevaarlijk.

In het middeleeuwse hertogdom Brabant werden bij elke vorstelijke machtswissel verschillende zowel ‘centrale’ als lokale of stedelijke kwesties op de onderhandelingstafel gelegd. Eerst en vooral was het na het overlijden van de heersende vorst niet altijd meteen duidelijk wie de nieuwe vorst zou worden. Zeker als er geen mannelijke troonopvolger was, konden immers verschillende (verwante) partijen de troon opeisen. Van kapitaal belang voor elke troonpretendent was de (financiële) steun van zijn of haar (toekomstige) onderdanen. Een nieuwe vorst liet mede daarom doorgaans een nieuwe wind waaien door zowel de hertogelijke als de stedelijke machtsstructuren. Burgemeesters en schepenen werden bijvoorbeeld vaak aangesteld door de vorst. Een machtswissel op het centrale niveau bracht met andere woorden vaak een machtwissel op het lokale (of stedelijke) niveau teweeg. De dood van een vorst was daardoor in de Bourgondische Nederlanden herhaaldelijk de aanleiding voor een bijzonder onrustige binnenlandse politieke situatie.

 

karel dubbel
Links: Karel de Stoute als graaf, Rogier van der Weyden (1462), Gemäldegalerie Berlijn, Inv. Nr. 545. Rechts: De ontdekking van het lijk van Karel de Stoute, Charles Houry (1862), Musée Lorrain Nancy.

De stedelijke opstanden die ontstonden naar aanleiding van het onverwachte overlijden van hertog Karel de Stoute, op 5 januari 1477, hebben al menig historicus geïnspireerd. Tijdens de slag om Nancy bleek zijn legermacht niet opgewassen tegen de door de hertog van Lotharingen aangevoerde legers. Naar verluidt werd Karels door wolven nauwelijks heel gelaten lichaam zelfs pas enkele dagen later roemloos teruggevonden in een moeras (zie afbeelding 2). Het nieuws ging daarna als een schokgolf door de Bourgondische Nederlanden. De jonge en onervaren dochter van de hertog, Maria van Bourgondië, werd meteen na het overlijden van haar ambitieuze vader geconfronteerd met de onvrede van haar stedelijke onderdanen, die zich verzetten tegen diens dure buitenlandse campagnes en imperiale ambities. Bovendien moest Maria haar rijk beschermen tegen de al even ambitieuze koning van Frankrijk Lodewijk XI (1423-83), die na het overlijden van Karel de Stoute met zijn legers binnenviel in Bourgondië, de Franche-Comté, Artesië en Picardië.

 

Bernhard_Strigel_003b
Familieportret van Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondie, Bernhard Strigel (na 1515), Wenen Kunsthistorisches Museum

In deze omstandigheden wilden de belangrijkste Brabantse en Vlaamse steden het gezag van de Bourgondische erfprinses slechts onder strikte voorwaarden erkennen. Alleen na een uitbreiding van hun privileges waren zij bereid om haar als nieuwe vorstin te erkennen – en om financiële en militaire steun te verlenen.  Deze uitbreidingen werden na afloop van zware onderhandelingen vastgelegd in een lijvig charter, dat de geschiedenis zou ingaan als het Groot Privilege (11 januari 1477). Desondanks braken in de lente van 1477 in de meeste steden opnieuw opstanden uit. In Antwerpen slaagden enkele gilden (schippers, visverkopers, beenhouwers en kleinhandelaars) er bijvoorbeeld in om de macht te grijpen ten koste van het in hun ogen corrupte – en in realiteit wellicht vooral te hertogsgezinde – stadsbestuur. Maria van Bourgondië was dankzij de informatie van haar raadsheren opmerkelijk goed op de hoogte van de tumultueuze situatie, en gaf de Scheldestad op 18 juni via een officieel bericht het bevel om de oorspronkelijke samenstelling van de schepenbank te herstellen. De opstandige gilden hadden hier echter geen oren naar, en hielden enkele voormalige bestuursleden nog steeds gevangen in de Visverkoperstoren aan de Scheldekade.

Het tij keerde voor de vorstin pas na haar huwelijk met keizerszoon Maximiliaan van Oostenrijk op 19 augustus 1477 (Gent), omdat die zich meteen inspande voor het beteugelen van de stedelijke opstanden. Zo stuurde hij op 30 november 1477 vier edelen met Brabantse heerlijkheden naar Antwerpen, die de moeilijke taak hadden om er een nieuw stadsbestuur aan te stellen. Het aanstellen van een meer hertogsgezind stadsbestuur betekende echter niet dat Maximiliaan geen verantwoording meer verplicht was aan zijn Antwerpse onderdanen. Met name de vraag of Maximiliaan het Groot Privilege zou naleven – dé voorwaarde voor zijn erkenning als nieuwe vorst – baarde menig Antwerpenaar grote zorgen. Nog voor kerstmis van het jaar 1477 maakten de Staten van Brabant een lijst op met liefst 26 overtredingen tegen het Groot Privilege, waarvan er vier – meer dan welke stad ook – specifiek betrekking hadden op Antwerpen. De stad betreurde onder andere de in haar ogen veel te hoge tolheffing aan de Schelde, die een nadelig effect had op het economisch welvaren van de stad. Het is zelfs pas na zijn expliciete bevestiging van deze overtredingen op 3 januari 1478, én zijn belofte op beterschap, dat de Antwerpenaren bereid waren om Maximiliaan als hun nieuwe vorst te erkennen.

The_Entry_of_Louis_XI_into_Paris_Fac_simile_of_a_Miniature_in_the_Chroniques_of_Monstrelet_Manuscript_of_the_Fifteenth_Century_Imperial_Library_of_Paris
De Blijde Intrede van Lodewijk XI in Parijs, detail uit de Kronieken van Monstrelet (15de eeuw)

Op 13 januari 1478, na intensieve politieke onderhandelingen, werd Maximiliaan eindelijk plechtig ingehuldigd in de stad tijdens zijn eerste officiële bezoek of Blijde Intrede. Niettemin werd hij zowel voor als tijdens de inhuldiging herinnerd aan het politieke geheugen van de Antwerpenaars, en aan hun weerzin voor corruptie en (hertogelijke) machtshonger. Zo werden enkele dagen voor zijn bezoek aan Antwerpen nog enkele amokmakers op bedevaart gestuurd die hadden geprobeerd om hun gildebroeders ervan te overtuigen om de Blijde Intrede (en dus erkenning) van Maximiliaan van Oostenrijk te verhinderen.* Tijdens de Blijde Intrede zelf herinnerden de vele taferelen (de zogeheten tableaux vivants) op de route naar de Grote Markt de vorst bij momenten dan weer weinig subtiel aan de grenzen van seculiere macht. Hoewel de Visverkopers en Vleeshouwers hun strijd tegen het hertogsgezinde establishment verloren hadden, mochten zij hun tableau bijvoorbeeld bouwen bij de poorten van de oude stadswallen. De opgevoerde scène liet erg weinig aan de verbeelding over: op hun podium werd Caesar – in deze periode hét symbool voor keizerlijke macht – genadeloos vermoord. Als Maximiliaan van Oostenrijk deze performance al als een waarschuwing interpreteerde, zat hij er bovendien niet eens zo ver naast. In twee kronieken wordt beschreven hoe onverlaten tijdens het verblijf van Maria van Bourgondië en Maximiliaan hadden geprobeerd om de Antwerpse waterputten te vergiftigen. De aanstichters werden gelukkig en “by der gracien Gods” tijdig gevat en te Rupelmonde terechtgesteld. Hoewel een drama zo nipt vermeden werd, en de waterputten tijdig konden worden gezuiverd, was er volgens de kroniek in de dagen nadien nog “grote murmeracie” onder het Antwerpse volk.** Ook Maria van Bourgondië en Maximiliaan van Oostenrijk waren zich daardoor ongetwijfeld eens te meer bewust van het feit dat hun gezag nooit zonder gevaren was.

 

* Antwerpen, Felix Archief, Correctieboeken 1414-1794, f. 130 v. Zie hierover ook: J. Van Herwaarden, Opgelegde bedevaarten. Een studie over de praktijk van opleggen van bedevaarten (met name in de stedelijke rechtspraak) in de Nederlanden gedurende de late middeleeuwen, ca. 1300- ca. 1550 (Amsterdam 1978), 211. Met dank aan Jelle Haemers.

** Alberts, Wonderlycke oorloghen, 45-46; Dits die Excellente Chronijcke van Vlaenderen, f. 197r (zie  https://dbnl.org/tekst/_dit004dits01_01/_dit004dits01_01_0197.php ) Met dank aan Mario Damen.

Verder lezen:

Haemers, Jelle, For the Common Good. State Power and Urban Revolts in the Reign of Mary of Burgundy, 1477-1482 (Turnhout 2009).

Vrancken, Valerie, De Blijde Inkomsten van de Brabantse hertogen. Macht, opstand en privileges in de vijftiende eeuw (Brussel 2018).


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s