Sidder en beef voor het Brabantse zwijn

Gastblog door Sander Govaerts

Als je vandaag de dag een medemens ‘everzwijn’ zou noemen is de kans zeer klein dat dit als een compliment wordt beschouwd. Mogelijk zijn er zelfs zeer onaangename consequenties aan verbonden. Dat dacht Hanja Maij-Weggen, Commissaris van de Koningin in Noord-Brabant, ook. Toen er in 2006 sprake was het everzwijn als symbool voor Brabant te gebruiken, ter ere van ‘negenhonderd jaar Brabant’, stelde zij haar veto. Het werd dus een leeuw.

Maar waarom zouden wij Brabant überhaupt met een everzwijn associëren? De band tussen het hertogdom Brabant en de knorrende viervoeter gaat terug tot 1334. Toen werd het gedicht Van den ever geschreven, waarin hertog Jan III van Brabant als een everzwijn wordt afgebeeld. Dit korte gedicht, slechts 136 verzen lang, is wat in de vergetelheid geraakt, hoewel Hugo Claus er één van zijn dichtbundels naar heeft genoemd (Heer everzwijn, gepubliceerd in 1970). De oudste kopie bevindt zich in het beroemde wapenboek Gelre, uit de late veertiende eeuw. Het is hier vergezeld van een miniatuur waarop een everzwijn te zien is met het wapenschild van Jan III (de wapens van de hertogdommen Brabant en Limburg).

everzwijn
Brussel, Koninklijke Bibliotheek, hs. 15.652-653, Wapenboek Gelre, f. 2v.

Ic ben die hertoghe van Brabant.

Bi den Ever ben ic genant.

Om ten volle te begrijpen waarom de hertogen zich als een everzwijn lieten afschilderen moeten we terugkijken naar de politieke context van 1334. De hertog van Brabant werd toen geconfronteerd met een vijandelijke coalitie van ongeveer al zijn buurlanden (Vlaanderen, Holland, Namen, Gelre, Luxemburg, Loon, etc.). Alleen de hertog van Bar (een hertogdom in het noordoosten van Frankrijk, met Bar-le-Duc als hoofdplaats) stond nog aan zijn zijde. In het gedicht introduceert deze laatste de hertog van Brabant als volgt:

Wat meendi, dwase ?

Waendi enen hase

Hebben voir di ?

Te dinen scanden

Sijn dine tanden

Hem comen so bi

Ic rade di, kere !

En com nemmermere

In des Evers pas.

Ende, om dat ghi immer wilt

Scoren sinen scilt

Zo haver das !

Vermoedelijk werd het gedicht Van den ever gebruikt om de onderdanen van de hertog moed in te spreken. De anonieme auteur, waarschijnlijk een heraut, vergeleek de hertog met een everzwijn omdat dit een dier is dat niet voor een grote overmacht terugschrikt. Een everzwijn is enorm gevaarlijk om te bejagen omdat het terugvecht, het loopt niet weg zoals een haas of een hert. De middeleeuwse everzwijnenjacht was zelfs zo risicovol dat men er speciale wapens voor moest gebruiken. Een zogenaamde zwijnspies heeft een vrij breed lemmet en blijft daardoor niet in het slachtoffer steken. In het geval van een everzwijn, dat zelden door één steek zijn laatste adem uitblaast, maakt dit een wereld van verschil. Jachthonden kregen vaak speciale kleding die hen tegen de slagtanden van hun tegenstander moest beschermen.

Uiteindelijk liep de hele zaak met een sisser af. Er werd onderhandeld, de grote coalitie viel uiteen en tot echt grote gevechten is het niet gekomen. Hierdoor werd het everzwijn een blijvend symbool van Brabants zelfvertrouwen en daadkracht. Een initiaal uit de inventaris van de Charters van Brabant, opgesteld in 1438, maakt de beeldspraak uit het gedicht zeer expliciet: het portretteert de hertog als een everzwijn en zijn vijanden als jachthonden. De hertog van Bar wordt in deze interpretatie een wolf. De mantels van de honden, die niet durven bijten, tonen de vorsten die Brabant belaagden: Vlaanderen, Namen, Henegouwen-Holland, Gelre, Loon, Luxemburg, Luik, Gulik, etc.

miniatuur
Brussel, Algemeen Rijksarchief, Manuscrits Divers, nr. 983, f. 496

De afbeelding van de hertog van Brabant als een everzwijn is evenwel niet bepaald uniek. Voor de middeleeuwse Kerk stond het everzwijn symbool voor vraatzucht, agressie, grofheid en zelfs de duivel, maar niet iedereen deelde die negatieve perceptie. Met name in Noord-Europa, waar Keltische en Germaanse invloeden sterker doorwerkten, respecteerden edellieden het everzwijn omwille van zijn kracht en uithoudingsvermogen. Naast de hertogen van Brabant associeerden ook de Engelse koning Richard III, de heren van Brederode en Robert de la Marck (‘Het Everzwijn van de Ardennen’) zich graag met het everzwijn. Hun vijanden gebruikten deze associatie op hun beurt om hen zwart te maken.

De keuze voor het everzwijn (en meerbepaald het mannelijke everzwijn of keiler) als symbool past dus in een grotere traditie. Toch is het enigszins opmerkelijk. De hertogen van Brabant hadden immers al een dier dat hun kracht en macht symboliseerde: de leeuw. Jan van Helu vergelijkt Jan I en de Brabantse krijgslieden in zijn verslag van de slag bij Woeringen met leeuwen. Het is niet helemaal duidelijk waarom de anonieme auteur van de krijgspoëzie uit 1334 de leeuw door het everzwijn heeft vervangen. Mogelijk wilde de hertog zich als een nieuwe Arthur laten doorgaan. Koning Arthur werd immers ook met een everzwijn geassocieerd, een veelvoorkomend Keltisch symbool.

Ongeacht wat de precieze beweegredenen geweest mogen zijn, het is duidelijk dat band tussen Brabant en het everzwijn heeft standgehouden tot de incorporatie van het hertogdom in het Bourgondische Rijk. Hierop wijst de initiaal uit 1438. Anton van Brabant (gesneuveld te Azincourt) hield in zijn Brusselse park zelfs een everzwijn. Zijn jonge zoon Jan (later Jan IV) sarde volgens de overlevering dit dier graag. Wellicht was hij nog niet ten volle vertrouwd met zijn symbolische betekenis.

Het gedicht Van den ever is een uitnodiging een vergeten stukje Brabantse geschiedenis opnieuw te ontdekken. Het leert ons iets over veertiende-eeuwse politiek, over de functies van herauten, over de jachtobsessie van middeleeuwse adel en over de verborgen kwaliteiten van ever- en andere zwijnen.

Verder lezen:

Het hele gedicht is terug te vinden in J.F. Willems, Wapenlied van Jan den IIIe, hertog van Brabant’ in Belgisch Museum voor de Nederduitsche Tael- en Letterkunde en de Geschiedenis des Vaderlands (Gent, 1837) vol. I, 287-296.

Appelmans, Janick, ‘Werd het wapendicht Van den ever in 1438 te Leuven opgevoerd?’, Eigen Schoon & De Brabander 100 (2017), p. 469-484.

Avonds, Piet, ‘Heer Everzwijn. Oorlogspoëzie in Brabant in de veertiende eeuw’ Bijdragen tot de Geschiedenis 63 (1980) 17-27.

Sleiderink Remco, De stem van de meester. De hertogen van Brabant en hun rol in het literaire leven (1106-1430) (Amsterdam: Prometheus, 2003).

Uytven Raymond van, De papegaai van de paus. Mens en dier in de Middeleeuwen (Leuven, Zwolle 2003).

 

 


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s